Ik heb een probleem. Een heus stadsmeisjesprobleem mag ik wel zeggen. Het gaat over parkeren.
Nu weet ik wel dat sommigen van jullie meesmuilend mompelen: “Tuurlijk! Ik ken geen één vrouw die kan parkeren!”, maar dat is mijn probleem niet. Ik kan het te goed. Het kleine Micraatje heeft een superklein draaicirkeltje, en ik zet ‘em fluitend in plekjes die nog geen 30 centimeter groter zijn dat het autootje zelf. Het record is 10 centimeter overruimte (met getuigen, dus roep nou maar niet dat dat niet kan).
Nee, mijn probleem bestaat vooral uit ruime parkeerplekken. Dat gaat helemaal mis. De afwezigheid van een bumper om me op te richten is funest. Het niet kunnen zien van de stoeprand, toch een bekend verschijsel in nieuwbouwwijken, doet alle parkeersoepelheid in het honderd lopen. De Micra wordt er dwars van. Tenminste, dat moet wel zo zijn, want recht wil ‘ie nooit, in zoveel ruimte.
Toch is dat hoe ik het geleerd heb: grote auto, ruime parkeerplekken. Armlengte tussenruimte, achterkanten gelijk, stuur tot het eind, 45 graden de weg opdraaien, en dan keurig erin zetten. Ging nooit mis. Ik moet dus wel tot de conclusie komen dat er twee manieren van parkeren zijn: een rijlesmanier en een stadsmanier. En die eerste ben ik duidelijk verleerd.