Santen maak je van geraspte kokos. Daar giet je heet water over en je knijpt het goedje uit. Dat heet dikke santen. Daarna kun je er nog eens heet water overheen gooien en het goedje weer uitknijpen. Dat heet —inderdaad— dunne santen.
Santen is verkrijgbaar in blikjes bij de toko, en bij de meeste supermarkten als superdikke santen: een blok dat je moet oplossen in water. Een stukje van een centimeter geeft dan ongeveer 1 kopje dikke santen. Maar als je het door iets vloeibaars heengooit (zoals soep…), is het een beetje onzin de santen eerst op te lossen in water.
In het ergste geval kun je geen blikjes of blokken krijgen. Dan moet je je behelpen met Conimexpoeder.
Santen wordt ook wel kokosmelk genoemd. Maar, kokosmelk is toch wat in een kokosnoot zit? Nee. Dat spul heet kokoswater. Alleen in de gedroogde kokosnoten die je hier koopt, lijkt het wel wat op kokosmelk. Degenen die weleens een verse kokosnoot in handen hebben gehad, weten dat daar veel meer vocht inzit (en veel minder kokos). Waterig spul, inderdaad. Maar heel goed tegen de dorst.