We hadden een risico genomen. ’s Ochtends waren we met Riekie en Peter in een SNV-wagen met chauffeur uit Thimpu vertrokken. Over de bochtige bergweggetjes reden we naar Wangdi, waar we thee dronken en momo’s aten. Na het maal namen we afscheid. Wij gingen de dzong bekijken, de rest ging door naar het oosten van het land.
De chauffeur regelde de rit naar Punakha voor ons. “Betaal op de terugweg niet meer dan 800 ngultrum,” zei hij. En we bleven alleen achter in Wangdi.
We bekeken de dzong, maakten stiekem foto’s, en ik had moeite om een piepjong monnikje ervan te overtuigen dat ik zijn lievelingshaan écht niet wilde hebben. Hij bleef het beest maar aaien en naar me uitsteken, als een cadeautje. Ik aaide maar wat mee, aaide de jochies over hun hoofd.
Op weg naar Punakha zakten we een paar honderd meter. Het klimaat veranderde van gemeen koud bergachtig in subtropisch. In Punakha werden onze fototoestellen ingenomen voor we de dzong inmochten. Deze was groter en mooier dan die van Wangdi. We beklommen steile houten trappen, dwaalden door donkere gangen, draaiden aan gebedsmolens, en loerden van buiten de tempels in, die voor ons gesloten bleven. Het jongetje dat zich geheel ongevraagd als onze gids had opgeworpen vertelde bij de aanblik van een gigantische Boeddha met de handen gevouwen in de schoot, dat kleine kindertjes vaak in de kom van die enorme handen in slaap vielen.
Het was een prachtige middag. Iedereen wilde op de foto om zichzelf daarna op het minischermpje van de digitale camera te zien. Het was gezellig druk, want het was marktdag. Onze jonge gids kreeg een echte Amerikaans dollar, en zijn ernstige gezicht spleet in een niet voor mogelijk gehouden grijns.
En toen wilden we terug. Op het plein voor de dzong stond één taxi. “Hoeveel naar Thimpu?” “2000.” Ik lachte. Dacht nog dat deze man zijn onderhandelingen een beetje hoog begonnen was, maar zijn prijs bleek definitief. We wezen zijn aanbod vriendelijk maar beslist af, en wachtten op de volgende taxi. Die kwam natuurlijk niet. Het was marktdag. Alle busjes-voor-negen zaten afgeladen vol met minstens vijftien Bhutanezen die zojuist hun boeltje hadden ingepakt en op huis aangingen. Wij wachtten, en de taxichauffeur zat in gezelschap van de tien mensen die al in het busje zaten naar ons te grijnzen.
“Zullen we niet…” begon Sebas. “Nee, ik laat me niet naaien, en nu toegeven staat gelijk aan een afgang.” Maar penibel was het wel. Punakha, eens de hoofdstad van Bhutan, leek niet groter dan 500 huizen. Winkels hadden we niet gezien, de marktkooplui waren weg, en het zag er niet naar uit dat er in de buurt een hotel was, of een restaurant waar we met wat overredingskracht nog konden overnachten.
Het taxibusje kwam op onkarakteristieke wijze aangereden. Of aangescheurd. Grind spatte op en een breedlachende Butanees draaide zijn raampje open. “Where to?” “Thimpu. How much?” “1000.” “800.” “950.” “850.” “950.” “900.” “Deal!”
De grijnzende chauffeur van het overvolle busje grijnsde niet meer. Wij stapten in het lege busje en vertrokken naar de huidige hoofdstad. De chauffeur babbelde honderduit. Over de national dress, die iedereen in Bhutan verplicht is te dragen tot 5 uur ’s middags, maar die hij niet erg comfortabel vond. De bouwstijlen, de festivals, boogschieten — de nationale sport. De nationale keuken, waar rode pepers gegeten worden als groente. Hij stopte om ons foto’s te laten maken, moest alles van Nederland weten, en van Amerika, en zette ruim voor vijven zijn hoed op en trok zijn warme jas aan. Voor we het wisten stonden we voor ons hotel.
Ik gaf hem 1000 ngultrum. “Ah. A tip!” “Nee, nachttoeslag.” Want het was donker geworden, en aan straatverlichting deden ze niet in dit land.
